Nachtbraker

De wind ging flink te keer, zodanig dat je bijna van een storm kon spreken. Ik keek naar buiten. Mijn gedachten dwaalden af naar de route die ik altijd loop met mijn honden. Vanuit mijn rijtjeswoning rechtsaf, vervolgens de weg oversteken, links de stoep op en dan rechtsaf langs het veertien etages tellende flatgebouw. De harde wind giert altijd tegen en langs de flat. Je mag blij zijn dat zowel de honden als jijzelf niet omver geblazen worden.

Ik zuchtte even bij dit voor mij bekende beeld. Hoeveel keer heb ik zo’n feest van wind of storm hier meegemaakt? Niet te tellen. Uit de gangkast pakte ik mijn winterjas. Van het dressoir griste ik de hondenriemen.

Terwijl ik mijn jas aantrok ging de telefoon over. Het was half twaalf zaterdagavond. Wie belt op zo’n tijdstip? Ik keek op het schermpje van het toestel naar het nummer. Het was van Cees. Hij belde vaker op onmogelijke momenten. De ene keer voor een kletspraatje en de andere keer omdat hij iets gedaan moest krijgen.

Met tegenzin nam ik op. “Met Willem”, opende ik het gesprek.

“Ja met Cees”, begon de oude man voor wie ik al jaren mantelzorger was. “Ik heb enorme pijn in mijn rug en uitstraling in mijn linkerbeen. Echt ik hou het niet vol. Ik moet naar de eerste hulp.”

Nadat ik de klachten aangehoord had wachtte ik op zijn vraag. En ja hoor of ik hem naar het ziekenhuis wilde brengen. Cees moest wachten, immers ik stond klaar om met de honden hun laatste ronde van de dag te doen. Hij was akkoord.

De viervoeters stonden kwispelstaartend naast mij met een blik van wij hebben er zin in. Zoals verwacht sloeg de harde wind alle kanten op. Wij liepen langs het riviertje op een schelpenpaadje.

Er was geen houden aan. Mijn Mechelse herders trokken enorm aan de riemen. Ik liet hen los. Luid blaffend renden zij vooruit. Na een kwartiertje vol gas riep ik hen bij mij. Aangelijnd liep het stel rustig met mij terug naar huis.

In de woonkamer zochten de honden hun plek. Zij keken mij na toen ik met de autosleutels weer naar buiten ging. Het was zo’n tien minuten rijden naar Cees. De parkeerplaatsen bij zijn woning waren allemaal bezet. Bij de stoep zette ik mijn bestelauto midden op de weg neer, zodat Cees niet te ver moest lopen. Nog even controleerde ik of de dubbele knipperlichten het deden. Ja, oké! Op naar de oude baas.

Hij zat aan de eettafel. “Wat kom jij hier doen”, vroeg Cees quasi verbaasd. Hij is een meester in een ander op het verkeerde been zetten. Die geintjes van hem kende ik al lang. Ik vertelde hem het wel leuk te vinden om ‘s nachts om tien voor half een bij hem op de koffie te komen. Het werd heel even stil. Maar toen begon meneer te kermen dat hij zo’n pijn had.

Cees droeg slechts een onderbroek. Ook dat nog, dacht ik. Toen ik hem vroeg zich aan te kleden zodat wij naar het ziekenhuis konden gaan zette hij zijn bril af. Of ik de glazen schoon wilde maken. Ik pakte de bril op en zag uitsluitend vettigheid. Zonder iets te zeggen liep ik naar de keuken. Met lauw water en afwasmiddel ontvette ik de boel.

Hij zette zijn bril weer op. “O verrek ik zie nu dat ik alleen mijn onderbroek aan heb.”

Nog steeds zonder iets te zeggen liep ik naar zijn slaapkamer om uit de kast de resterende kleding te pakken. Op tafel legde ik het spul neer.

“Nou kom op Cees, aankleden.”

Terwijl meneer zijn broek, overhemd en sokken aantrok keek ik naar buiten. De toppen van de bomen zwiepten heen en weer. Het begon te regenen. Cees was bijna klaar.

“Je moet je schoenen aandoen Cees”, droeg ik hem op.

“Wat kan jij zeuren”, reageerde hij.

Ik gaf hem zijn schoenen waarvan de zolen zo goed als versleten waren. Hierover begon ik de discussie niet meer met hem. Hij vond het onnodig om geld uit te geven aan nieuwe zolen. Flink kreunend boog Cees voorover. De schoenen trok hij aan. Hij keek schuin omhoog en vroeg of ik zijn veters wilde strikken. En dat deed ik dan maar.

Op tafel lagen zijn paspoort en ziektekostenverzekeringspas klaar. Ik pakte de documenten en stopte dit alles in mijn binnenzak. Aan de kapstok in de gang hing zijn jas waarvan de rits stuk was. Het was zijn enige jas. Hij trok het helblauwe ding aan.

“Ga je mee Cees”, vroeg ik hem. Intussen keek ik op mijn horloge, het was al tien voor een. Samen liepen wij naar buiten. Het ging langzaam, want hij had naar zijn zeggen pijn. Eenmaal in de auto deed ik zijn gordel om. Wij reden naar de eerste hulp. Het is nog geen vijf minuten van zijn huis vandaan.

Voorzichtig haalde ik de oude baas uit de auto. Ik begeleidde hem naar de ingang waar de schuifdeuren automatisch opengingen, maar de volgende deuren waren dicht. Rechts zat een bel met een bordje ‘Eerste Hulp’. Ik drukte op het knopje. Er gebeurde niets.

“Kunnen wij niet doorlopen”, vroeg Cees zich hardop af.

Uit de luidspreker klonk de stem van de dienstdoende doktersassistente met de vraag wat wij kwamen doen. Ik legde in het kort uit wat er met Cees aan de hand was. Wij werden binnengelaten nadat zij ons had verteld dat het wel even kon duren voordat de arts bij ons zou komen. In de wachtkamer namen wij plaats op een bankje. Er was verder niemand.

Na een half uur kwam een lange man in een keurig kostuum uit een kamer. Hij riep ons. “Au”, zei Cees toen hij voorzichtig opstond. Wij liepen rustig naar de arts.

“Ik ben dokter Sloot”, stelde hij zich voor.
“Greppel”, antwoordde Cees terwijl hij de arts een hand gaf.

O God dat wordt weer wat met hem, schoot door mijn hoofd. In de spreekkamer wees Sloot Cees naar een stoel.

“Gaat u zitten meneer Greppel.” Cees nam plaats.

Uit mijn binnenzak haalde ik het paspoort en verzekeringspasje van Cees. Sloot zette zijn leesbril op. Hij bestudeerde het paspoort. En nog eens. Met gefronste wenkbrauwen staarde hij recht in de ogen van Cees.

“U heet geen Greppel”, begon hij het gesprek.

“Nee klopt. Maar wie heet er nou Sloot”, antwoordde Cees.

“Ik”, ging Sloot verder. “In uw paspoort staat de naam Jansen. Waarom zegt u Greppel? Dat is toch vreemd.”

“Ik zat voeger bij de wegenbouw vaak in een greppel. Lekker rustig, zo heb ik mijn pensioen gehaald. Hiervoor was ik stratenmaker op zee, maar dat was een natte boel.”

Cees is altijd op zijn best wanneer zijn gevoel voor humor en taal naar boven komt. Het was duidelijk dat de arts niet veel begrip had voor deze grappenmakerij. Als blikken konden doden dan waren het de zijne wel. Als arts ben je niet echt aangesteld om het leven van de patiënt te beëindigen maar wel om mensen beter te maken.

“Goed meneer, wat kan ik voor u doen”, vroeg hij.

“Tja, waar kom ik ook al weer voor? Weet jij het nog Willem?”, vervolgde Cees het gesprek.

Ik zag de irritatiefactor bij Sloot toenemen, die had natuurlijk geen zin in slap geklets van Cees. “Hij heeft pijn in zijn rug en uitstraling in zijn linkerbeen”, liet ik Sloot weten.

De arts stond op en vroeg Cees mee te lopen naar de onderzoekstafel. Na wat voelen aan de rug van zijn patiënt vroeg Sloot naar de duur van de klachten.

“O het begon vanaf vanavond om elf uur. Een half uur later belde ik Willem of hij mij naar u kon brengen. Wat denkt u? Hij moest eerst zijn honden uitlaten. Pas om tien voor een stapten wij in zijn auto om het ritje naar de eerste hulp te maken. Hoe laat is het nu? O ik zie al het is nu vijf voor twee, dus zo lang dokter.”

De arts keek ik aan. Ik zag dat hij nu echt op ontploffen stond. Met een knikje gebaarde ik hem van opschieten en wegwezen. Sloot schreef een recept uit voor pijnstillers en liet Cees weten dat hij in de wegenbouw hard gewerkt heeft waardoor zijn rug versleten is.

Opgelucht verlieten Cees en ik de eerste hulp. Wij liepen vlotjes naar mijn auto, stapten in en reden naar zijn huis. Onderweg vroeg ik hem hoe het nu ging.

“O goed hoor net als voordat wij naar de dokter gingen. Vroeger haalde ik de nacht van zaterdag op zondag altijd door in de kroeg. En nu wilde ik het wel eens bij de eerste hulp meemaken.”

Nadat ik hem afgeleverd had op zijn woonadres reed ik direct naar huis. Er was nog maar één ding wat ik wilde. Slapen. De stekker van de telefoon trok ik er uit. De honden lagen languit op hun warme kleedjes. Ook de wind was gaan liggen. Wat een nacht.

© Willem Croese

Zie ook:

Nachtbraker – Kort verhaal